Economische groei wordt al decennia lang beschouwd als een van de belangrijkste indicatoren voor de welvaart en de economische kracht van een samenleving. Als het bruto binnenlands product groeit, wordt dit doorgaans als goed nieuws gezien: bedrijven investeren, er ontstaan banen, inkomens kunnen stijgen en de staat krijgt extra financiële speelruimte. Groei staat daarom niet alleen symbool voor economisch succes, maar vaak ook voor het succes van een regering.
Er is bijna geen enkele economische indicator die zo nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Zelfs kleine veranderingen in de groeiprognoses kunnen de aandelenmarkten in beweging brengen, politieke debatten ontketenen en bepalen of een land nieuwe investeringen durft te doen of bezuinigingsmaatregelen overweegt. Maar sinds enkele jaren wordt het idee van een zo duurzaam mogelijke economische groei steeds meer in twijfel getrokken. Een stijgend bruto binnenlands product geeft immers in eerste instantie alleen aan dat er binnen een economie meer goederen en diensten zijn geproduceerd of geleverd. Of mensen daardoor daadwerkelijk tevredener, gezonder of veiliger leven, valt daar niet direct uit af te leiden.
Dit roept een fundamentele vraag op: is economische groei werkelijk nog steeds het belangrijkste doel waarvoor samenlevingen en regeringen zouden moeten streven? Of hebben we inmiddels aanvullende maatstaven nodig om het succes van een land te kunnen beoordelen?